Lang voordat detectors zoals de Einstein Telescope bestonden, probeerden wetenschappers zwaartekrachtgolven op een andere manier te meten. In de jaren zestig van de vorige eeuw stelde natuurkundige Joseph Weber voor om enorme metalen staven te gebruiken als detector. Een passerende zwaartekrachtgolf zou de atomen in zo’n staaf heel even uit elkaar trekken, waardoor de staaf zou gaan trillen. Een beetje zoals een aangeslagen stemvork. Uiteindelijk bleek de methode niet gevoelig genoeg. Tegenwoordig gebruiken zwaartekrachtgolfdetectoren daarom interferometrie. Daarbij worden lasers door kilometerslange detectorarmen gestuurd. Als een zwaartekrachtgolf passeert, verandert de lengte van die armen een minuscuul beetje. Dat zie je terug in het patroon van de laserstralen wanneer ze weer samenkomen. Met die techniek lukte het onderzoekers om zwaartekrachtgolven echt waar te nemen.
Foto: Joseph Weber met een zwaartekrachtgolfdetector, University of Maryland Libraries Special Collections. |